Het kerkhof aan het meer
Muziek: Rolf Kramer, januari 2011
Tekst:
J.C. Bloem, 1931
Lied 101
Een klein rond perk, met weinig witte stenen;
hier zijgt de tijd, een vege zwaan, terneer.
Erachter dampt, door grijze zon beschenen,
een gelukzalig lentemeer.
Daar rusten, na het enkelvuldig leven
van eeuwoud werk in weide en stal en schuit,
de eertijds ontslapenen in deze dreven
van hun gelijke daden uit.
En als de voorjaarswind de lege kruinen
doet beven van d’onheugelijke nood
tot bloeien boven woekerende puinen,
suizelt de onsterfelijke dood;
tot bloeien boven woekerende puinen,
suizelt de onsterfelijke dood.